Niet opnemen, vent. Gewoon negeren.

Mijn broer was even stapelzot van Mi Amigo als ik.
Het jaar was 1976, de hete zomer heerste over de wereld. Het was het jaar waarin Marc Jacobs absoluut de top was voor mij. Ik nam Baken 16 elke dag op en elke avond als ik thuis kwam van de universiteit zat ik met rooie oortjes te luisteren, te genieten en te dromen dat ik ooit op zo’n schip zou kunnen zitten.

Hij had het meer voor de wat strakkere presentatie van Rob Hudson en Johan Visser. De manier waarop zij tempo en drive staken in hun programma’s, bekoorde hem meer dan mij. Maar toch waren we allebei stapelzot van Mi Amigo. We begonnen regelmatig brieven te schrijven naar het station, hij naar Rob en ik naar Marc. We bestookten de gasten aan boord met brieven. Soms schreven we zo’n brief samen, hij en ik. Dan zaten we ‘s nachts op, met een oude schrijfmachine en stapels papier. Vaak werd zo’n brief uiteindelijk tien of meer dicht op elkaar getypte vellen papier, vol absurde nonsens. De jongens aan boord kenden onze namen inmiddels al, we waren hevige fans. Maar fans met inhoud, met de nodige ironie en meer dan genoeg relativeringsvermogen.

Op de muziek van All My Loving van de Beatles maakten we een eigen Mi Amigo-strijdlied. We zongen het samen in, stuurden het op en het werd verdorie nog uitgezonden ook. Wat een gevoel om dat te horen op de middengolf!

Naar het Mi Amigo fanbal (het was toen al 1977, geloof ik) trokken we samen naartoe. We maakten er kennis met de deejays. Marc Jacobs gaf ons allebei een hand en zei: “Aha, jullie bestaan dus ècht!” We babbelden er lang met Herman de Graaf, die inmiddels ook een favoriet van mij geworden was. We vonden het er allebei zo fijn dat we de laatste trein misten. Pas ‘s morgens vroeg namen we de eerste trein tot in Sint-Niklaas en daarna gingen we te voet van Sint-Niklaas station naar Hamme.

Toen ik in 1979 aan boord van de Magdalena mocht om voor Mi Amigo te gaan werken, was hij kei-jaloers maar ook enorm blij en trots. De nacht voor ik naar de Noordzee vertrok, bleven we wakker en zaten we te fantaseren over hoe het zou zijn. We spraken af dat ik Home on a Monday van hoe-heten-ze-ook-weer zou draaien zodra ik weer naar huis kwam.

Ook de gloriejaren van Maeva maakte hij van vrij dichtbij mee. Maar de blik die hij via mij kon werpen op de interne keuken en het gerommel achter de schermen, koelde zijn enthousiasme voor radio merkelijk af. Toch kwam hij nog een paar keer ‘s nachts non-stop draaien en bandjes wisselen in de Witte Villa.

In de zomer van 2001 nam ik hem eens mee naar Zoersel waar ik toen de ochtend presenteerde met Diederik Vanderveken. Ik liet hem een paar dingen voorlezen op de radio. Het weerbericht, de programmering. En in de auto op weg naar huis kwamen we terecht in een lange lange file maar ik vond het niet eens erg. Hij ook niet. “Ik ben klaar voor alles,” zei hij.

14 november 2001. Ik werkte een paar maanden bij het fijne kabelbedrijf, ik zat midden in een training en mijn gsm trilde in mijn broekzak. Niet opnemen, vent. Gewoon negeren. Maar hoe geconcentreerd ik die gedachte ook naar mijn eigen verleden stuur, het haalt niks uit.

In een mensenleven zijn er dagen die hun bestaan niet waard zijn.
Dagen die elk jaar opnieuw -zonder mededogen- overgeslagen zouden dienen te worden.
Geef zo’n dag een sjot onder zijn kloten, en verban hem voor eeuwig van de kalender.

(Geplaatst op: 14 november 2004)

Geef een reactie